De kamperende triangel

Een impressie, het gezelschap. De sfeer is uitstekend, de drie kunnen elkaar goed verdragen, alom respect in de kamperende triangel. Kees heeft het idee dat hij uit louter sociale overwegingen in zijn slaap rekening houdt met de anderen en door een sterk functionerend onderbewustzijn in staat is een deel van zijn gewoonte snurken te onderdrukken. Achteraf een onjuiste theorie. De resterende nachten snurkt hij er vrolijk op los. Het moet zijn verlegenheid geweest zijn. Hij zal nog niet hebben durven slapen in de wetenschap van zijn luidruchtigheid.
De krekels, de niet aflatende zon en de soms, door de tijd, onaangeraakte panorama’s doen bij ons de pretenties voor de ‘time being’ vervagen. Zoals elk wolkje, eenmaal deze subtropische regionen binnengeslopen, ten slachtoffer valt en oplost, meegesleurd in de dalende lucht.

De ‘time being’

Het mag 14 dagen. Prima. De tik thuis zal hard aankomen. Dat vereist weer heel wat relativeringsvermogen. Inzien dat het maar zo’n vijftig weken duurt eer dat wij ons wederom kunnen laven aan de vluchtige illusies. Alles is overweldigend. De geest pakt een ‘take five’. Verliefdheid en andere aardse zaken raken naar de achtergrond; als achterblijvers, met andere biotopen in Westlandse glazen huisjes.

Het materiaal

De tent, de oude vertrouwde De Waard bewijst wederom zijn waarde. Uitstekend! Ook de dames zijn al snel kind aan tent. De Mazda draagt ons, als zijn tweede reisgezelschap, mee binnen zijn koets. Onafgebroken, geen pauze, werk voor vijf weken. Hij houdt zich prima, drinkt zijn slokje en doet zijn kilometers gelaten zonder kreunen. De afhankelijken zijn hem dankbaar en beloven hem schoon te likken als zijn gedrag tot en met de finale onbesproken blijft. “Japan, we love you”. Goh, wat hebben wij het naar ons zin. Geen gekheid, echt waar.

De omgeving

De omgeving, de mensen, de natuur. Ruig, grillig en vooral droog, droog, kurkdroog. Alles en iedereen in het teken van die droogte. Het gras breekbaar en geel. De kleur van chips. Elke stap alsof je op het zakje stapt: knisper, knisper. De bomen: als oude gebochelde mannetjes na een arbeidzaam zwaar leven onder zeer slechte eet- en drinkomstandigheden. Uitgemergeld, een kurkachtige, gerimpelde, getaande, gelooide huid en vol kronkels. Zij wijzen het gegane levenspad; een kruisweg. Knikken door de knieën onder de last van het kruis; de boom horizontaal. Dan weer een stukje verticaal. De natte doek van Maria Magdalena. Het verhaal wordt verteld. Het is prachtig en droevig. Honger, dorst en pijn. Vergrijsde, diep gegroefde kurkkorsten. Mooi, schilderachtig mooi. Wat verliezen onze onpersoonlijke welvaartspopulieren hier, bij mij, veel van hun achtging. De bodem: zanderig, elke korrel, door mistralwinden opgejaagd, zo vele malen tegen harde rotsen aangeslagen dat zij zijn gereduceerd tot nog maar nietig stof. De wind spreekt zijn straf en geselt genadeloos. Alles nihiliserend.
De mensen: jong ogen zij oud, vooral zij die hun kost verdienen in de buitenlucht en daardoor jaren zijn blootgesteld aan de elementen. Bijna zien zij eruit als de bodem. Kijk en vergelijk en het verhaal dat wordt verteld trekt zijn parallellen.

In de stadjes is het om uit te houden. In het verleden werd bij het bouwen rekening gehouden met de alles verzengende gloeiende beul. De bouwers deden de huizen in de smalle straatjes bovenin naar elkaar toebuigen, fluisteren elkaar toe dat het slechts een kwestie van tijd zal zijn.

De bossen: wat blijft ervan over. Tot nu toe lijkt het wel of ik het dagelijks terugkerende fenomeen heb verzwegen. Freudiaans verdrongen wellicht. Alles om de sfeer maar niet te bederven. Het lijkt alsof niemand in deze streek zich druk maakt. Een warme gezapigheid ten gevolge van de lome hitte. Toch, de brandweer, een nijvere bedrijfstak, zij hebben het hectisch druk. Al maanden is er geen sprietje verblijd met maar een spat regen. Dientengevolge brand, brand, veel, erg veel bosbranden. Elke dag wel ergens sirenes, rookpluimen of door dikke brandwalmen geschaduwde luchten. De hitte slaat elke dag op andere locaties zijn slag en vernietigd soms eeuwenoude structuren. Om droevig van te worden.
Wij verdringen het. Wij zijn toeristen, komen hier voor de fun, niet voor brand. Nog tien dagen dan trekken wij weer terug naar de brandhaarden van ons eigen bestaan.

Volgende aflevering: 7. Aix en Provence

Vorige afleveringen:

1. Waar was jij in de zomer van 1989?
2. Op weg naar La Roque d’Antheron
3. Dwars door de Lubéron
4. Avignon op het programma
5. Marseille we komen er aan
6. De kamperende triangel

2018-10-29T13:13:11+02:00

Over de auteur:

Een oud reisverslag uit 1989. Mijn vriend Kees is ziek. Ernstig ziek. Ooit gingen wij een keer op vakantie naar Zuid-Frankrijk. Kees die toen al graag schreef, heeft daar onze belevenissen opgetekend. Ik vond het verslag laatst op de zolder. Met veel plezier hebben we het verhaal in Vlissingen, waar hij nu woont, samen met zijn vrouw teruggelezen. Nu Kees niet lang meer te leven heeft, ook al hoop ik nog steeds op een wonder, hebben we besloten dit verhaal met jullie te delen. Het was een doodgewone vakantie maar toch buitengewoon, gekeken door de ogen van Kees.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.